HuiskamerkerkjeAlle vieringen

Vier thuis met kinderen

Het Adventsraam

Van de eerste adventsweek tot Driekoningen.
Open een luikje en lees de viering voor die week.

Een verhaal dat steeds verdergaat

Bethlehem in zicht
Is er nog een plek?
Het kindje is er
Daar is het kind!

Alle luikjes zijn vrij te openen. Vier op een moment dat bij jullie past.

Voor je begint: materialen en samen knutselen

Huiskamerkerkje met kinderen

HET ADVENTSRAAM

Een verhaal dat iedere week verdergaat

Vier adventsweken om thuis toe te leven naar Kerstmis.

Op de website openen we iedere week tot en met Driekoningen een luikje.

Thuis maken we ondertussen ons eigen kerstlandschap. We beginnen met Maria en Jozef die op reis gaan. Iedere week komt er iets bij. Ondertussen gaan de drie koningen op reis, tot ook zij aankomen.

Welkom

Er komt een feest aan.
Nog niet vandaag.
Ook nog niet morgen.
Maar het komt dichterbij.
Kerstmis.

In dit boekje reizen we vier weken mee met Maria en Jozef.
We pakken onze spullen.
We verlaten Nazaret.
We gaan over een lange weg.
We zien Bethlehem in de verte verschijnen.
We zoeken een plek.
We wachten in de nacht.

En vanaf de tweede week reizen er nog anderen mee.
Drie koningen, met hun kamelen en hun geschenken.
Zij komen van ver.
Met Kerstmis zijn ze nog onderweg.
Zij reizen verder tot 6 januari.
Dan komen ook zij bij het kindje aan.

Dit heb je nodig

• vier adventskaarsen of vier ledlichtjes

• de knipbladen

• een schaar

• lijm

• kleurpotloden of stiften

• meerdere grotere stukken dun karton, bijvoorbeeld van lege dozen of dik papier

• een beetje raffia, wol of reepjes zacht papier of klein lapje

• eventueel een belletje en muziek

• wat goudkleurig papier

En verder vooral:
zin om samen naar Kerstmis toe te leven en daarna nog een stukje verder te reizen.

Maak een Adventsplekje

Je gaat de komende weken een kerstlandschap maken.

Zoek voordat je begint een plek waar dat de komende weken kan blijven staan.
Bijvoorbeeld op een kast, een plank of een hoek van de tafel.

Daar ontstaat langzaam een kleine kerstwereld.

Eerst verschijnen Maria en Jozef.
Dan komt er een weg.
In de tweede week gaan ook de drie koningen op reis.
Later verschijnen de grot, de dieren en de lege kribbe.
Dan de herders en hun schapen.
En met Kerstmis het kindje.

Ondertussen gaan ook de drie koningen op zoek naar het kindje.

Misschien leg je een mooie doek onder het landschap.
Of een paar takken.
Of helemaal niets.
Het hoeft niet netjes of plechtig te zijn.
Het wordt gewoon jouw of jullie Adventsplek.

Ons Adventsritueel

Iedere week steken we de Adventslichtjes aan.
In de eerste week één.
In de tweede week twee.
In de derde week drie.
In de vierde week vier.

Open het complete boekje (PDF)

EERSTE WEEK VAN ADVENT

WE GAAN OP WEG

Steek het eerste Adventslichtje aan.
Zeg daarbij:

‘We zijn op weg naar Kerstmis.
Vandaag begint het verhaal.’

Vandaag begint het.

Het verhaal – deel 1

Lang geleden woonden Maria en Jozef in Nazaret.
Maria verwachtte een kindje.
Het zou niet zo heel lang meer duren voordat het geboren werd.

Misschien hadden Maria en Jozef thuis al bedacht waar het kindje zou slapen.
Misschien lagen er al kleine doeken klaar.
Misschien praatten ze er ’s avonds over.
Hoe zou het kindje zijn?
Hoe zou het eruitzien?
Hoe zou het opgroeien?

En toen kwam er nieuws.
De keizer had besloten dat mensen naar de stad van hun familie moesten gaan om zich te laten inschrijven.
Voor Jozef betekende dat:
naar Bethlehem.

Bethlehem lag niet om de hoek.
Ze moesten op reis.
En Maria moest mee.
Dat kwam helemaal niet goed uit.
Een lange reis, terwijl je bijna een kindje krijgt?
Maar thuisblijven kon niet.

Dus moesten er spullen worden gepakt.
Wat neem je mee als je dagen onderweg bent?
Brood.
Water.
Warme doeken voor de nacht.
En natuurlijk de spullen die Maria nodig zou hebben als de baby onverwacht al kwam.

Jozef keek misschien nog één keer rond.
Hebben we alles?
Maria dacht misschien hetzelfde.
Want dat heb je vaak als je weggaat:
Zijn we niet iets vergeten?

Toen was het zover.
De deur ging dicht.
Nazaret bleef achter hen.
Voor hen lag de weg.
Een lange weg.
En ergens, ver weg, lag Bethlehem.
De reis naar Kerstmis was begonnen.

Laat Maria en Jozef vertrekken

Op het eerste knipblad staan Maria en Jozef onderweg.
Knip de figuren voorzichtig uit net binnen de stippellijnen.
Laat de brede stroken onderaan eraan zitten.
Vouw de brede strook naar voren, zodat de figuur kan staan.

Voor extra stevigheid kun je de figuur eerst op dun karton plakken.
Knip het karton bij en vouw de strook onderop naar achteren.

Maak op dezelfde manier het landschap dat bovenaan op het tweede knipblad staat.

Zet Maria en Jozef aan het begin van het landschap.
Nog niet bij Bethlehem.
Dat is nog heel ver weg.
Vandaag staan ze helemaal aan het begin van hun reis.
De komende weken reizen ze met het verhaal mee.
En wij een beetje met hen.

Wat zou jij hun meegeven?

Stel je voor dat je Maria en Jozef nog even ziet voordat ze vertrekken.
Ze hebben een lange reis voor de boeg.
Ze zullen onderweg moeten eten en drinken.
Het kan ’s nachts koud worden.
En Maria draagt een kindje dat bijna geboren wordt.

Wat zou jij hun mee willen geven voor onderweg?

Bedenk drie kleine dingen.
Misschien iets nuttigs.
Iets warms.
Iets lekkers.
Iets voor de baby.
Of iets waar Maria of Jozef gewoon blij van zou worden.

Je mag zelfs iets bedenken wat in hun tijd nog helemaal niet bestond.
Wat zouden ze volgens jou goed kunnen gebruiken?

Maak een reisbundeltje voor Maria en Jozef

Neem twee vellen papier.
Teken op één vel de drie dingen die jij Maria en Jozef mee wilt geven.
Kleur ze in en knip ze uit.

Maak van het andere vel een kleine envelop of een bundeltje.
Versier het zoals je wilt.
Doe jouw drie cadeautjes voor onderweg erin en vouw het dicht.
Leg het reisbundeltje bij Maria en Jozef.

Ze zijn vertrokken.
De weg naar Bethlehem is begonnen.

Gebed

Lieve Christus,
wij gaan op weg naar Kerstmis.
Ga met ons mee
door deze weken van verwachten.
Laat ons genieten van alles
wat nog moet komen.
Amen.

We sluiten af

Kijk naar het eerste Adventslichtje.
Kijk naar Maria en Jozef aan het begin van de weg.

De reis is begonnen.
Bethlehem is nog ver.
Kerstmis komt langzaam dichterbij.

TWEEDE WEEK VAN ADVENT

BETHLEHEM IN ZICHT

Steek twee Adventslichtjes aan.
Zeg:

‘We zijn op weg naar Kerstmis.
Vandaag gaat het verhaal verder.’

Kijk naar Maria en Jozef en naar het reisbundeltje.
Ze zijn al dagen onderweg.

Het verhaal – deel 2

De weg naar Bethlehem was lang.
Er waren geen auto’s.
Geen treinen.
Geen bus waarin je lekker op een stoel kon gaan zitten.

Dag na dag gingen Maria en Jozef verder.
Nazaret lag inmiddels ver achter hen.
De weg liep door een heuvelachtig land.
Soms klom hij omhoog tussen stenen en rotsen.
Dan ging hij weer naar beneden.
Langs droge grond.
Langs struiken en bomen.
Langs kleine dorpjes waar mensen woonden en werkten.

Misschien zagen ze olijfbomen.
Vogels boven de heuvels.
Geiten die tussen de stenen naar eten zochten.
En misschien liep er wel een ezel mee die hun spullen droeg.
Precies weten we dat niet.

Overdag kon de zon warm zijn.
Stof stoof op onder hun voeten.
Maar wanneer de zon onderging, veranderde alles.
Het werd kouder.
De hemel werd donker.
En boven hen verschenen ontelbaar veel sterren.

Misschien zaten Maria en Jozef ’s avonds ergens langs de weg om wat brood te eten.
En daarna moesten ze slapen.
De volgende ochtend:
weer opstaan,
weer spullen pakken,
weer verder.
Hoeveel dagen nog?

Onderweg kwamen ze andere reizigers tegen.
Sommigen gingen dezelfde kant op.
Misschien liepen ze een tijdje samen.
Iemand vertelde een verhaal.
Iemand deelde brood.
Er werd gepraat en gelachen.

En iedere dag werd de reis voor Maria een beetje zwaarder.
Haar buik was al heel dik van de baby.
Die zou nu echt niet lang meer op zich laten wachten.
Misschien waren er momenten waarop Maria alleen nog maar dacht:
Zijn we er nou nóg niet?

Hoe zou het onderweg klinken?

Doe je ogen eens dicht.
Kun je de weg horen?
Voeten over stenen.
Stap, stap, stap.
De wind langs de heuvels.
Een ezel die balkt.
Geiten ergens tussen de rotsen.
Mensen die elkaar roepen.
En misschien af en toe een diepe zucht:
Hoe ver is het nog?

Maak de weg naar Bethlehem

Neem het knipblad met het onderste landschap waarin je in de verte Bethlehem ziet.

Maak het landschap net als de vorige zet het ernaast.

Plaats Maria en Jozef en hun reisbundeltje voor dit landschap.

Ga even naar buiten.
Zoek een paar kleine dingen die bij zo’n lange weg zouden kunnen horen.
Een steentje.
Een beetje zand.
Een klein takje.
Een blaadje.
Wat mos.
Neem mee wat je gemakkelijk kunt vinden.

Zet het landschap met Bethlehem neer.
Met je vondsten maak je een klein stukje van de weg.

Bethlehem ligt nog in de verte.

En dan…

Na weer een lange dag liep de weg omhoog.
Jozef keek voor zich uit.
Hij bleef staan.
Maria keek ook.

Daar, heel in de verte…
tegen de heuvels…
waren huizen te zien.

Kleine huizen dicht bij elkaar.
Daken.
Muren.
En op de weg voor hen liepen steeds meer mensen.
Jozef wist wat ze zagen.
Bethlehem.

Eindelijk.
Na al die dagen konden ze het zien.
Maar ze waren er nog niet.
Er lag nog een stuk weg voor hen.
Maria en Jozef gingen verder.
Stap voor stap.
Bethlehem kwam steeds dichterbij.

Er begint nog een reis

Maar Maria en Jozef zijn niet de enige reizigers in ons kerstlandschap.
Ver weg, in het oosten, begint nog een reis.
Een reis van mensen die graag naar de sterren kijken.
Wijzen worden ze genoemd.
In het kerstverhaal noemen we hen vaak de drie koningen.

Zij hebben iets bijzonders gezien.
Een grote, prachtig stralende ster.
Een ster die voor hen betekent:
er is iets om naar op zoek te gaan: een heel bijzonder kindje, een koningskind.

Ze willen het kind vinden.
En ze willen geschenken meenemen.
Goud.
Wierook.
Mirre.

Dus worden er ook daar spullen gepakt.
Doeken voor de nacht.
Eten voor onderweg.
Water.
En de kostbare geschenken.

Stel je de kamelen eens voor.
Hun lange poten.
Hun grote voeten.
Hun pakken en kleden.
Eén kameel staat misschien al klaar.
Een andere moet nog even worden beladen.
En dan kan de reis beginnen.

Vandaag laten wij de drie koningen vertrekken.
Ze komen van veel verder dan Maria en Jozef.
Hun reis duurt in ons landschap tot na Kerstmis.
Op 6 januari komen ze aan.

Laat de drie koningen op weg gaan

Maak figuren van de knipbladen van de drie koningen en hun kamelen.

Maak het bovenste landschap van hun landschap-knipkaart.

Zet de koningen met hun kamelen voor hun landschap, aan de rechterkant van je tafereel, iets verderop.

Nog ver van Bethlehem.
Ze reizen langs hun eigen weg. Ze volgen de ster.

Maak een kleine ster van papier en zet of hang die bij hun route.

De grote kerstster bewaren we nog voor Kerstmis.

Nu zijn er twee reizen begonnen.
Maria en Jozef gaan naar Bethlehem.
De koningen gaan op zoek naar het kind.

Gebed

Lieve Christus,
soms duurt wachten lang.
Ga met ons mee
over alle wegen van ons verhaal.
Amen.

We sluiten af

Kijk naar de twee Adventslichtjes.
Kijk naar Maria en Jozef op de weg.
Bethlehem is in zicht.

En ergens ver weg reizen de koningen.
Zij hebben nog een lange weg te gaan.

DERDE WEEK VAN ADVENT

IS ER NOG EEN PLEK?

Steek drie Adventslichtjes aan.
Zeg:

‘We zijn op weg naar Kerstmis.
Vandaag gaat het verhaal verder.’

Zet Maria en Jozef aan het einde van de weg, bij Bethlehem.
Vandaag komen ze aan.

Verplaats ook de koningen en hun kamelen een klein stukje.
Zij zijn nog ver weg, maar houden steeds hun aandacht bij de ster.

Het verhaal – deel 3

Nog een klein stukje verder lopen.
Nog een paar stappen.
En toen waren ze er.
Bethlehem.

Na die lange reis liepen Maria en Jozef eindelijk het stadje binnen.
Bethlehem was geen enorme stad.
Het was een klein rustig stadje tussen de heuvels.
Maar nu leek het wel alsof iedereen er tegelijk wilde zijn.

Overal waren mensen.
Reizigers met bundels.
Kinderen.
Dieren.
Mensen die elkaar riepen.
Uit huizen kwam de geur van eten.

Maria was doodmoe.
Jozef maakte zich zorgen om haar.

Maar nu konden ze vast een plek vinden om te rusten.
Een kamer.
Water.
Iets te eten.
Een bed.
Een plek waar Maria eindelijk kon gaan liggen.

Maar Bethlehem was vol.
Niet een beetje vol.
Echt heel vol.

Jozef begon rond te vragen.
Was hier nog plek?
Nee.
Daar misschien?
Ook niet.
Hij liep naar een volgende deur.
Hij klopte.
Hij wachtte.
Weer geen plek.
Nog een deur.
Weer niet.

Maria kon bijna niet meer.
En de baby kon nu ieder moment geboren worden.
Ze hadden niet veel nodig.
Geen prachtig huis.
Geen grote kamer.
Alleen een veilige plek waar Maria kon rusten.

Nog een deur.
Nee.
Nog ergens anders.
Vol.

Jozef keek verder.
Waar moesten ze nog heen?
Ze konden niet eindeloos blijven zoeken.

Ze wisten het niet meer.

En toen vonden ze uiteindelijk toch een plek.
Geen mooie kamer.
Geen zacht bed.
Geen rustige gastenkamer.
Maar een heel eenvoudige plek waar ook dieren konden staan.

Misschien was het een stal.
Misschien een ruimte bij een huis.
Misschien zelfs een plek in de rotsen.
Precies weten we het niet.

Maar één ding weten we wel:
er stond een kribbe.
Een voerbak waar dieren normaal uit aten.

Er lag stro.
Het rook er naar dieren en hooi.
Misschien stond er een os.
Misschien een ezel.

De os kauwde rustig verder op wat stro.
Maar de ezel keek op.
Hij draaide zijn lange oren naar voren en keek nieuwsgierig naar Maria en Jozef.
Alsof hij dacht:
Wie zijn jullie eigenlijk?
En wat komen jullie hier doen?

Na alle drukte van Bethlehem was het hier rustig.
Maria ging zitten.
Eindelijk.
Ze hoefde niet meer verder.

Jozef legde hun spullen neer en probeerde het zo goed mogelijk voor haar in orde te maken.

Hij deed een paar kaarsen aan.
Misschien schudde hij wat stro op.
Misschien legde hij een doek neer.
Misschien haalde hij water.

Het was vast niet de plek die zij thuis in Nazaret voor de geboorte van hun kindje hadden bedacht.
Maar ze waren beschut.
En ze konden blijven.

En vlak naast hen stond de voerbak.
De kribbe.
Leeg.
Nog wel.

Maak hun plek klaar

Maak de grot uit het knipblad.

Maak de figuren Maria en Jozef en de os en de ezel.

De reizende Maria en Jozef kunnen nu worden opgeborgen.

Maak de kribbe

Knip de kribbe uit.
Laat de zijflapjes en alle brede plakstroken eraan zitten.
Het vlak met het stro wordt de bodem.

Vouw de vier wandjes naast de bodem omhoog.
Vouw de kleine zijflapjes naar binnen en lijm daarmee de hoeken vast.

Aan ieder wandje zit nog een tweede houten wandje.
Vouw dat over de bovenrand naar buiten en naar beneden.
Zo krijgt de kribbe aan de binnenkant én aan de buitenkant houten plankjes.

De lichte stroken aan de uiteinden worden de plakstroken.
Vouw die naar binnen onder de bodem en lijm ze vast.
Laat de kribbe even drogen.

Leg er iets zachts in.
Een beetje raffia.
Wol.
Reepjes zacht papier.
Of een klein lapje stof.

Voel eens.
Is het zacht genoeg?
Zo niet, dan kan er nog iets bij.

Zet de kribbe bij Maria en Jozef.
Het kindje blijft nog op het knipblad.
Daar wachten we nog op.

Wat zou jij klaarleggen?

Stel je voor dat hier straks een pasgeboren baby ligt.
Wat zou jij nog voor het kindje willen klaarleggen?
Een warm dekentje?
Een knuffel?
Een piepklein mutsje?
Iets zachts?
Iets moois?

Zoek een klein lapje uit dat straks als dekentje kan dienen.
Je kunt ook iets tekenen, knippen of maken en bij de kribbe leggen.

Gebed

Lieve Christus,
Wij wachten nog.
Wees dicht bij ons
in deze dagen voor Kerstmis.
Amen.

We sluiten af

Kijk naar de drie Adventslichtjes.

Maria en Jozef zijn aangekomen.
Ze hoeven niet meer verder.
De kribbe staat klaar.
Maar hij is nog leeg.

De koningen reizen verder.
Hun kamelen dragen de geschenken.
Zij zijn er nog niet.

VIERDE WEEK VAN ADVENT

DE NACHT VALT

Steek alle vier de Adventslichtjes aan.
Zeg:

‘We zijn op weg naar Kerstmis.
Vandaag gaat het verhaal verder.’

Kijk naar Maria en Jozef.
Naar de os en de ezel.
Naar de lege kribbe.

Laat de koningen en hun kamelen weer een stukje verder reizen.

Maak de drie nachtelijke herder-landschappen.

Maak de figuren van de herders en de schapen.

Je hebt ze straks nodig.

Het verhaal – deel 4

Langzaam werd het avond in Bethlehem.
De drukte werd minder.
De stemmen op straat verdwenen.
De hemel werd donker.
En boven het stadje verschenen steeds meer sterren.

Maria en Jozef waren nog steeds op hun eenvoudige plek bij de dieren.
De os stond er.
De ezel.
De kribbe stond klaar.
Maria rustte.
Jozef was bij haar.
Ze hoefden nergens meer heen.
De lange weg lag achter hen.

Buiten Bethlehem lagen de heuvels.
Daar waren herders met hun schapen.
Ook zij maakten zich klaar voor de nacht.
De schapen moesten bij elkaar blijven.
De herders bleven wakker om op ze te letten.

Misschien zaten ze bij een klein vuur.
Misschien trok iemand zijn mantel wat dichter om zich heen tegen de kou.
Af en toe klonk er:
Bèèh.
Een schaap verschoof.
Een ander ging liggen.
Boven hen de donkere hemel vol fonkelende sterren.

Voor de herders leek het een gewone nacht.
Ze wisten niets van Maria en Jozef.
Ze wisten niets van hun lange reis.
Ze wisten niets van alle deuren waar geen plaats was geweest.
En ze wisten niets van de lege kribbe die klaarstond.
Nog niet.

In Bethlehem werd het steeds stiller.
Op de heuvels waakten de herders.
Maria en Jozef wachtten.
De kribbe was leeg.
Alles stond klaar.

En bijna niemand wist dat deze nacht anders zou worden dan alle andere nachten.

Zet de herders op de heuvels

Zet het nachtelijke landschap dat apart op een knipblad staat met de helemaal donkerblauwe lucht neer, rechts tussen de grot en het landschap van de drie koningen.

Plaats de figuren van de herders en hun schapen ervoor.

De herders zijn nog buiten op de heuvels.
Ze weten nog van niets.

Kijk ook even naar de koningen.
Zij komen dichterbij, maar zijn nog niet bij Bethlehem.
Laat ze daar voorlopig verder reizen.

Maak het alvast feestelijk

Kerstmis komt nu heel dichtbij.
Misschien willen jullie alvast iets klaarzetten voor het feest.
Een belletje.
Een lichtsnoer.
Iets lekkers.
Of kies alvast een kerstlied dat jullie met Kerstmis willen horen of zingen.

Het kindje komt nog niet in de kribbe.

Nog even wachten.

Gebed

Lieve Christus,
Wij wachten nog even.
Laat Uw vreugde al dichterbij komen
in ons huis en in ons leven.
Amen.

We sluiten af

Kijk naar de vier Adventslichtjes.

De reis is gemaakt.
Bethlehem is bereikt.
De kribbe staat klaar.
Buiten waken de herders.

KERSTMIS

Vandaag is het Kerstmis.
Steek alle vier de Adventslichtjes aan.
Zeg:

‘Vandaag vieren we Kerstmis.
Het verhaal gaat verder.’

Het verhaal gaat verder

Die nacht werd het kindje Jezus geboren.
Maria nam haar kleine kindje in haar armen.
Ze wikkelde hem in warme doeken.
En ze legde hem in de kribbe.

Leg het kindje in de kribbe

Maak een figuurtje van het kindje uit het knipblad waaruit je de kribbe hebt geknipt.
Leg het plat op het zachte bedje dat jullie hebben klaargemaakt.

Pak het dekentje erbij.
Leg het over het kindje, tot onder zijn gezichtje.
Zo kun je hem nog goed zien.

De kribbe is niet meer leeg.

Daar lag hij.
Het kindje Jezus.

Misschien sliep hij.
Misschien huilde hij.
Misschien maakte hij van die piepkleine geluidjes die alleen baby’s kunnen maken.

Maria was er.
Jozef was er.
En de ezel die Maria en Jozef zo nieuwsgierig had bekeken, lag er nog steeds bij te kijken.

En buiten Bethlehem, op de heuvels?
Daar waren de herders nog steeds bij hun schapen.
Voor hen was de nacht net zo donker als daarvoor.

Tot ineens…
licht!

Midden in de donkere nacht verscheen er een engel.
En overal om hen heen was licht.

Vervang het landschap van de herders door het landschap met de ene engel erboven.

De herders schrokken zich rot.
Wat gebeurde hier?

Maar de engel zei:
Wees niet bang!

En toen hoorden ze iets wat ze onmogelijk zelf hadden kunnen bedenken.
In Bethlehem was een heel bijzonder kindje geboren.
Christus.
Hij zou alle mensen op aarde laten zien hoe dichtbij Gods liefde is.

Ze konden hem vinden.
Hij lag in doeken gewikkeld.
In een kribbe.

En opeens was die ene engel niet meer alleen.
Er verschenen steeds meer engelen.
De hele nachtelijke hemel was vol engelen.

Vervang het landschap met de ene engel door het landschap met de lucht vol engelen.

En ze zongen allemaal!
Over Gods liefde.
Over vrede op aarde.
Over het kindje dat die nacht geboren was.
Wat een blijdschap!
De hele hemel leek wel te zingen.

En toen de engelen verdwenen waren, bleven de herders niet rustig zitten nadenken.
Ze keken elkaar aan.
Kom!
Ze wilden het kindje zien.

Ze gingen op weg naar Bethlehem.
Ze zochten.
En daar vonden ze Maria.
En Jozef.
En de kribbe.
En daarin lag het kindje.
Precies zoals de engel had gezegd.

De nacht die zo gewoon was begonnen,
werd een nacht die ze nooit meer zouden vergeten.
En niet alleen zij.

Meer dan tweeduizend jaar later vertellen wij het verhaal nog steeds.
En vandaag vieren wij het opnieuw.

Maak het kersttafereel compleet

Verplaats de herders en hun schapen.
Ze staan niet meer ver weg op de heuvel.
Ze zijn naar het kindje gekomen.

Precies boven de grot was een grote, prachtig stralende ster te zien: de kerstster.

Dit was de ster die de drie koningen al die tijd aan het volgen waren.

Hoe zou jouw kerstster eruitzien?
Groot of klein?
Met lange punten of juist korte?
Geel, goud of in allerlei kleuren?

Teken jouw kerstster op papier.
Versier hem zoals jij wilt en knip hem uit.
Geef hem een mooie plek boven het kersttafereel.

Kijk eens naar wat er in vier weken is ontstaan.
De weg naar Bethlehem.
Het reisbundeltje.
Maria en Jozef.
De plek bij de dieren.
De os en de ezel.
De kribbe met het zachte dekentje.
De herders.
De schapen.
En midden daarin:
het kleine kind.

Daar hebben we vier weken op gewacht.

En de drie koningen?
Die zijn nog onderweg.
Laat hen vandaag een stukje dichterbij komen.

Maak het onderste landschap van hun knipblad.

Dat komt in de plaats van het landschap dat er stond.

Nu is Bethlehem al in zicht.

Maar ze hebben het kindje nog niet gevonden.

Hun aankomst krijgt straks een eigen feest.

En nu: feest!

Nu kunnen alle lichtjes aan.
Nu kan er gezongen worden.
Nu mag er misschien iets lekkers op tafel.
Misschien luiden jullie een belletje.
Misschien zetten jullie een kerstlied aan en dansen jullie erbij.
Misschien zingen jullie zelf.
Misschien hebben jullie nog een heel ander idee.

Het kindje is er.
Het is Kerstmis.

Kerstgebed

Lieve Christus,
vandaag vieren wij
dat U geboren werd
als een klein kind.
Dank voor Maria en Jozef,
voor de herders en hun schapen,
voor de engelen en hun lied.
Dank voor het licht
dat met Kerstmis in onze wereld kwam.
Laat Uw vrede en vreugde
ook bij ons wonen.
Amen.

TUSSEN KERSTMIS EN DRIEKONINGEN

DE REIS GAAT VERDER

Het kerstlandschap kan nog even blijven staan.
Het kindje ligt in de kribbe.
De hemel is vol engelen.
De herders zijn aangekomen.

Maar de koningen reizen verder.
Laat hen af en toe een klein stukje opschuiven.
Met hun kamelen.
Met hun geschenken.
De ster wijst hun de weg.

Misschien verplaats je hen iedere dag.
Misschien alleen wanneer je langs het kerstlandschap komt.
Het hoeft niet volgens een precies schema.

Zorg dat er nog een laatste stukje weg overblijft voor 6 januari.
Dan komen ze aan.

DRIEKONINGEN – 6 JANUARI

DAAR IS HET KIND!

Steek de lichtjes bij het kerstlandschap aan.
Zeg:

‘Vandaag vieren we Driekoningen.
De verre reizigers komen aan.’

Kijk naar de drie koningen en hun kamelen.
Wat hebben ze al een lange weg afgelegd.
Vandaag reizen ze het laatste stukje.

Het verhaal – de verre reizigers komen aan

De koningen hadden een lange reis achter de rug.
Ze hadden vele wegen gevolgd.
Heuvels gezien.
Onder de sterren geslapen.
En hun geschenken zorgvuldig bewaard.

De ster had hen steeds geleid.

Maar nu moesten ze zelf verder zoeken.

Ze zochten een koningskind.
Waar zoek je zo’n kind?
Misschien wel in een grote stad.
In een paleis.
Dus kwamen de wijzen eerst in Jeruzalem.

Daar vroegen ze:
Waar is het koningskind dat geboren is?
Wij hebben zijn ster gezien.
We willen naar hem toe.

In Jeruzalem woonde koning Herodes.
Hij werd onrustig van hun vraag.
Een koningskind?
Daar was hij niet blij mee. Hij was koning!

Er werden mensen bij gehaald die de oude geschriften kenden.
Zij vertelden over Bethlehem.
Daar moesten de reizigers verder zoeken.

Dus gingen de wijzen weer op weg.
En daar was de ster opnieuw.
Wat waren ze blij toen ze hem zagen!

Nu was het niet ver meer.
Nog een stukje.
Nog een paar stappen.
En toen waren ze bij de plek waar het kind was!

Ze gingen naar binnen.
Daar zagen ze Maria.
En het kindje Jezus. Het koningskind.

Na die lange reis waren ze er eindelijk.
Geen grote troon.
Geen rij soldaten.
Een kind bij zijn moeder.

De wijzen vielen op hun knieën.
En toen maakten ze hun geschenken open.

Goud.
Dat glansde in het licht.

Wierook.
Kostbare korrels met een bijzondere geur als je ze brandt.

Mirre.
Ook een geurend geschenk, hars van een boom.

Ze hadden het al die tijd meegedragen.
Over al die wegen.
En nu konden ze het eindelijk geven.

Hun reis was niet voor niets geweest.
Ze hadden het kind gevonden.

Later werden ze in een droom gewaarschuwd om niet terug te gaan naar Jeruzalem waar Herodes was.
Daarom namen ze een andere weg naar huis.

Maar nu waren ze hier.
Bij het kind.

Laat de koningen aankomen

Verplaats de drie koningen naar het kindje voor de grot.
Zet de kamelen iets verderop.
Die kunnen na hun lange reis even uitrusten.

Kijk naar de geschenken die ze bij zich hebben.
Ze zijn er.

Maak de geschenken open

Je kunt drie kleine geschenken maken om bij de koningen te leggen.

Maak voor het goud iets van goudkleurig papier.
Een rondje.
Een klein doosje.
Of een mooie glanzende vorm.

Maak voor de wierook en de mirre twee kleine papieren zakjes.
Je kunt er een paar getekende korreltjes in doen.
Of iets dat lekker geurt, zoals een kruid uit de keuken.
Zo kun je je een beetje voorstellen hoe bijzonder een geurend geschenk kan zijn.

Leg de geschenken bij het kindje.
De koningen hebben hun schatten opengelegd.

En als jij met hen was meegegaan?

Stel je voor dat jij de hele reis met de koningen hebt meegemaakt.
De reis met de kamelen.
De ster gevolgd.
De lange weg.
En nu sta je bij het kindje.

Wat zou jij hem willen geven?

Het hoeft geen goud te zijn.
Misschien iets dat je zelf maakt.
Een tekening.
Een liedje.
Een klein cadeautje.
Of je wilt gewoon even bij hem blijven zitten.

Als je iets wilt maken, leg het dan bij de andere geschenken.

Een feest voor de aankomst

Kijk naar het hele kerstlandschap.
Wat een reizen zijn er gemaakt.
Maria en Jozef uit Nazaret.
De herders vanaf de heuvels.
De koningen uit een ver land.

Nu staan ze allemaal bij het kindje.

Misschien zingen jullie nog één keer een kerstlied.
Misschien komt er iets lekkers op tafel.
Vandaag vieren we de aankomst.

Gebed voor Driekoningen

Lieve Christus,
de koningen kwamen van ver.
Zij volgden de ster
en vonden U.
Laat iets van dit licht met ons meegaan,
ook als het kerstlandschap straks wordt opgeruimd.
Amen.

We sluiten af

Kijk nog één keer naar de koningen.
Naar hun geschenken.
Naar de kribbe.

De verre reizigers zijn aangekomen.
Het verhaal heeft ons van Advent tot Driekoningen meegenomen.

Jullie kunnen het kerstlandschap nog even laten staan.
En wanneer het tijd is om op te ruimen, kunnen de figuren en landschappen samen in een doos.
Misschien gaan ze volgend jaar opnieuw op reis.

Voor grote mensen

Voor grote mensen

Dit boekje hoeft niet als een programma te worden afgewerkt.
Het verhaal is belangrijker dan de opdrachten.
De verwondering is belangrijker dan de uitleg.
En het wachten is belangrijker dan een boodschap die kinderen uit iedere week zouden moeten meenemen.

Laat daarom gerust iets weg.
Blijf juist wat langer hangen wanneer een kind ergens door wordt gegrepen.

Misschien wil het precies weten wat Maria onderweg at.
Misschien wil het weten hoe ver Nazaret eigenlijk van Bethlehem lag.
Misschien vraagt het of Maria echt op een ezel zat.
Of Jezus werkelijk in een stal werd geboren.

Dan is het helemaal niet erg om te zeggen:
dat weten we niet precies.

De Bijbel vertelt niet ieder detail.
Mensen hebben zich het kerstverhaal daarom eeuwenlang ook voorgesteld en er beelden bij gemaakt.
Zo kwamen bijvoorbeeld de stal, de os en de ezel in onze kersttraditie terecht.

Ook de drie koningen horen bij die beeldtraditie.
Matteüs spreekt over wijzen uit het oosten en noemt drie geschenken: goud, wierook en mirre.
Hij vertelt niet hoeveel wijzen er waren en noemt hen geen koningen.
De drie koningen en hun kamelen zijn de vertrouwde gestalten waarmee wij hier het verhaal spelen.

Het geboorteverhaal met de herders staat in Lucas 2.
De reis van de wijzen staat in Matteüs 2.
Matteüs vertelt dat de wijzen het kind en Maria in een huis vonden.
In ons kerstlandschap komen ze bij dezelfde kribbe aan.
Zo brengen we beide verhalen samen, zoals dat in kerststallen al heel lang gebeurt.

Hun vertrek in de tweede adventsweek is een keuze voor deze vieringen, geen datering uit de Bijbel.
We beginnen hun reis dan alvast, zodat kinderen hen wekenlang kunnen laten reizen.
De aankomst vieren we op 6 januari, het feest van Driekoningen.

De landschappen en figuren zijn bedoeld om samen één tafereel te vormen.

Misschien ontstaat er een lang gesprek over hoe een engel eruitziet.
Misschien wordt er twintig minuten aan één schaap geknutseld.
Misschien ligt de os uiteindelijk op het dak.
Dat ís dan de viering.

Advent hoeft voor kinderen geen les over verwachten te worden.
Vier weken werkelijk ergens naar uitkijken is al Advent.
En daarna nog even met de koningen meereizen kan een mooie manier zijn om het kerstfeest te laten doorklinken.